|
Belangrijke informatie voor agrarische bedrijven in het extensiveringsgebied!!
Op 23 april 2010 heeft Provinciale Staten van Noord-Brabant de Verordening ruimte fase 1 vastgesteld, welke op 1 juni 2010 in werking is getreden.
In deze verordening wordt verstaan onder intensieve veehouderij: agrarisch bedrijf met een bedrijfvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkrundveehouderij.
In de toelichting op de verordening wordt aangegeven dat expliciet is bepaald dat grondgebonden melkrundveehouderijen niet onder de definitie intensieve veehouderij vallen. Hieronder vallen in ieder geval melkrundveehouderijen die op de huiskavel en de directe omgeving voldoende areaal grond ter beschikking hebben (voor ruwvoederproductie en/of weidegang). De aard van de bedrijfsvoering laat zich objectief vaststellen door na te gaan hoe de feitelijke stalinrichting is en/of door na te gaan hoe de ligging van de stallen ten opzichte van aangrenzende gronden en de omvang van de aangrenzende gronden is. Voor de beoordeling of een bedrijf grondgebonden is of niet hanteren wij onder andere het rapport van het CLM: “Een definitie voor grondgebonden melkveehouderij” (juli 2004). In het rapport wordt aangegeven dat voor een goede weidegang de huiskavel minimaal 1 hectare per 8 melkkoeien groot moet zijn. Om een bedrijf als grondgebonden te kunnen beschouwen mag het aantal grootvee-eenheden (melkkoeien inclusief jongvee) per ha landbouwgrond (huiskavel inclusief de overige gronden) niet hoger zijn dan 3 . Deze overige gronden moeten binnen een afstand van 15 kilometer van de bedrijfsgebouwen liggen, waardoor transport van mest en voer redelijk mogelijk is.
Het raadplegen van de vereiste milieuvergunning of melding kan daarbij tevens een hulpmiddel zijn. Bij een aanvraag voor uitbreiding van het bedrijf moet de ondernemer het al dan niet grondgebonden zijn onderbouwen.
Extensiveringsgebieden:
In deze gebieden komt een verdere aanscherping betreffende de beperking van het respecten van bestaande rechten. Hoewel dit nog steeds uitgangspunt is, is dit nu gekoppeld aan een overgangstermijn. Intensieve veehouderijen in
extensiveringsgebieden kunnen van hun bestaande rechten nog gebruik maken tot 1 oktober 2010. Vanaf die datum geldt als omvang van het bouwblok de op dat moment bestaande bebouwing, de in aanbouw zijnde of de op basis van een volledige ontvankelijke bouwaanvraag te vergunnen bebouwing. Er is dan sprake van het zogenaamde “slot op de muur “.
Verwevingsgebieden:
In deze gebieden is uitbreiding van het bouwblok tot ten hoogste 1,5 hectare mogelijk, waarvan 10% van het bouwblok aangewend moet worden voor erfbeplanting. Uitbreiding is echter alleen mogelijk wanneer uit de integrale omgevingstoets blijkt dat de locatie duurzaam is.
Voor de goede orde zij opgemerkt dat deze bepaling dus niet ingrijpt in reeds vastgestelde grotere bouwblokken dan 1,5 hectare.
Vormverandering van het bouwblok is mogelijk.
Landbouwontwikkelingsgebieden:
In landbouwontwikkelingsgebieden kunnen bouwblokken evenals in verwevingsgebieden tot maximaal 1,5 ha uitbreiden. Ook hier mag slechts één bouwlaag gebruikt worden voor het houden van dieren en bij uitbreiding dient 10% te worden aangewend voor landschappelijke inpassing. Enkel om te kunnen voldoen aan huisvestings- en dierenwelzijnseisen mogen bouwblokken die op 20 maart 2010 al een omvang hebben van 1,5 hectare tot 1 januari 2013 éénmalig uitbreiden boven die maat mits daarbij het aantal dieren niet toeneemt. Omdat de landbouwontwikkelingsgebieden wel de gebieden zijn waar in potentie de meeste
ontwikkelingsmogelijkheden liggen voor de intensieve veehouderij is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen voor het toestaan van een uitbreiding van bouwblokken tot een maximum van 2,5 ha.
Deze ontheffing geldt evenwel niet voor alle landbouwontwikkelingsgebieden. Er zijn gebieden die vanwege hun ligging ten opzichte van natuur of bebouwingsconcentraties minder geschikt zijn voor een doorgroei van de intensieve veehouderij. Aan gedeputeerde staten is daarom de bevoegdheid toegekend om landbouwontwikkelingsgebieden of delen daarvan aan te wijzen waar in principe ontheffing verleend kan worden. Ontheffing wordt binnen die gebieden alleen verleend als zuinig ruimtegebruik wordt toegepast, verzekerd is dat 15% wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing en uit een integrale omgevingstoets blijkt dat de ontwikkeling aanvaardbaar is.
Provinciale Verordening Ruimte Noord-Brabant fase 2
Gedeputeerde Staten hebben het ontwerp van de Verordening ruimte fase 2 op 1 juni 2010 vastgesteld. De inspraakperiode loopt van 28 juni tot en met 10 augustus 2010.
De inspraakreacties worden betrokken bij het opstellen van de definitieve Verordening ruimte fase 2. In oktober 2010 nemen de Gedeputeerde Staten een besluit. Besluitvorming in Provinciale Staten vindt waarschijnlijk plaats in december 2010. Onderwerpen die in de ontwerp-Verordening ruimte fase 2 onder andere zijn opgenomen:
· - ruimtelijke kwaliteit en verbetering daarvan bij nieuwe ontwikkelingen
· - natuurcompensatie
· - groenblauwe mantel (de opvolger van GHS-landbouw/AHS-landschap/AHS-landbouw uit de Interimstructuurvisie en Paraplunota)
· - grondwaterbeschermingsgebieden
· - biomassavergistingsinstallaties en mestbewerking en -verwerking
· - windenergie
· - cultuurhistorische en aardkundige waarden
· - bovenregionale detailhandel en leisurevoorzieningen
· - agrarische functies, waaronder grondgebonden agrarische bedrijven
· - verblijfs- en dagrecreatie
· - overige niet-agrarische functies in het buitengebied
Voor meer informatie:
Sandra Jansen - Sommers
Van Gerwen Advies Groep v.o.f.
Heijtmorgen 10
5375 AN Reek
Postbus 22
5410 AA Zeeland
T: (0486)-450160
F: (0486)-450238
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
|